Barradeel was vanouds een vruchtbare akkerbouwstreek. De zware zeeklei langs de Waddenzee leende zich uitstekend voor de teelt van vlas — in 1956 nog steeds goed voor 246 hectare in de gemeente. Naast aardappelen, tarwe en suikerbieten was vlas een van de belangrijkste gewassen. Het witbloeiende Friese landras werd bij voorkeur geteeld met zaaizaad van de eigen oogst.
In de negentiende eeuw was de vlasteelt in Friesland vooral een vorm van werkverschaffing. Gemeenten en kerken stimuleerden de verbouw om arme landarbeiders en hun gezinnen de winter door te helpen. Friesland was daarin koploper: van de bijna 4.000 braakhokken en zwingelketen die Nederland in 1907 telde, stonden er ruim 2.800 in Friesland — bijna 70 procent. Barradeel deed volop mee.
In Sexbierum werden door particulieren maar liefst 33 braakhokken op kerkvoogdijland gebouwd — een uitzonderlijk groot aantal voor één dorp. In Tzummarum lag aan het eind van de Lytse Buorren, in de buurt De Kamp, een cluster van ongeveer 30 braakhokken. In Wijnaldum verhuurde de kerk een voormalig ashok op het kaatsveld "it Moargen" als braakhok aan gardeniers die vlas verbouwden. In Firdgum werd thuis gebraakt, zoals het uitgebreide getuigenis van de 89-jarige Sikke la Fleur bewijst.
Het werk in de braakhokken was zwaar en ongezond. In die kleine, zeer stoffige hokken werkten arbeiders van 's morgens vroeg tot 's avonds laat — soms wel zestig uur per week. Bij het braken en zwingelen van de vlasstengel kwamen grote hoeveelheden stof vrij, wat leidde tot de gevreesde "brakerskoorts": koorts, huiverigheid en een verminderde eetlust die soms meer dan een maand aanhield. Tijdgenoten schreven dat wie voor het eerst een braakhok binnenkwam, er met geen mogelijkheid minutenlang in kon uithouden.
Het teeltproces was intensief en volledig handmatig. De kiemkracht van het zaaizaad werd vooraf gecontroleerd door zaden tussen vochtige kranten en graszoden in de koestal te leggen. Het wieden gebeurde door jongens, meisjes en vrouwen — altijd met de hand, op sokken, om het jonge gewas niet te beschadigen.
Na de oogst volgde het roten: de schoven werden in een sloot gelegd en dagelijks gekeerd. Na zeven à tien dagen werden ze gedroogd en opgeslagen. In de winter verwerkte men het gerote vlas in het braakhok of thuis: eerst drogen boven een vuurtje van scheven (het houtachtige afval), dan braken, dan zwingelen. Op zaterdagmiddag werden de bundels lint — elk van ruim zes pond — bij de boer ingeleverd en zorgvuldig gecontroleerd op gewicht en kwaliteit.
De laatste vlasbraker van Tzummarum, de heer Groendijk, werkte tot in 1947 in zijn eigen braakhok. Hij braakte van Allerheiligen tot het voorjaar, altijd alleen, en verdiende 10 stuivers per bundel — goed voor anderhalf uur werk als het vlas meezat.
Omstreeks de Eerste Wereldoorlog kwamen er in Friesland mechanische vlasverwerkingsfabrieken. Vlak na de oorlog richtten de Sexbierumers Dorenbos, Westra en Zijlstra zo'n fabriek op, op een bouwkavel aan het huidige Frentsjerterein — recht tegenover de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek. Machinist werd Andries Norder, die alles wist van machines en motoren. Het overige personeel hoefde niet van verre te komen: in Sexbierum waren genoeg mannen met ervaring in de vlasbewerking.
De fabriek kon echter niet lang standhouden. Op 26 mei 1925 werden fabriek en machines geveild in het koffiehuis van E. Weima — het pand dat nu bekendstaat als Hotel-Café-Restaurant De Harmonie. Op 9 juni volgde de finale verkoop.
Het gebouw bleef staan en kreeg een nieuwe bestemming. Rients Westra begon op de zolder een zaadhandel. De begane grond werd nog enige tijd gebruikt voor de vlasknopbrekerij. Op de plek van de grote motor opende Andries Norder een fietsmakkerij die uitgroeide tot Garage Norder — een naam die in Sexbierum nog lang bekendbleef.
Friesland telde uiteindelijk zo'n 25 vlasverwerkingsfabrieken, maar de meeste waren slechts enkele jaren actief. Vanaf het tweede decennium van de twintigste eeuw verdween het werk in de braakhokken geleidelijk, door de afname van de verbouw, mechanisatie, betere sociale voorzieningen en meer werkgelegenheid elders. Vanaf de jaren '70 was de vlasindustrie in Noord-Nederland volledig verdwenen door de opkomst van goedkoper katoen en synthetisch textiel.
Na decennia van stilte keert vlas terug. Het project Wad van Waarde werkt aan een grote uitbreiding van de vlasteelt in Friesland en Groningen, ook in de gemeente Waadhoeke. Vlas blijkt ideaal voor een duurzame economie: het verbetert de bodem, verhoogt de biodiversiteit, vraagt nauwelijks gewasbescherming, en legt CO₂ langdurig vast. Het wordt verwerkt tot linnen — het meest duurzame textiel — voor producten als tassen, zakken en gordijnen, als alternatief voor plastic. Wat ooit werkverschaffing uit nood was, keert terug als bewuste keuze voor een duurzamere toekomst.
Foto
Primaire getuigenissen en lokale bronnen
Tijdschrift- en boekbronnen
Websites